Paramita - Volmaaktheden | SIM – Stichting Inzichts Meditatie
Untitled Document

"Paramita - Volmaaktheden" - Kheminda Merkus

Het gaat hierbij om het ontwikkelen van bepaalde eigenschappen die de onmisbare onderbouw zijn voor elke spirituele ontwikkeling. Er zijn tien paramita’s of volmaaktheden:

  1. dana (vrijgevigheid);
  2. sila (juist ethisch gedrag);
  3. nekkhamma (achterlaten/opgeven);
  4. pañña (wijsheid);
  5. viriya (energie);
  6. khanti (geduld/verdraagzaamheid);
  7. sacca (waarheidsliefde);
  8. adhitthana (resoluut voornemen);
  9. metta (welwillende vriendelijkheid);
  10. upekkha (gelijkmoedigheid).
Ze vormen een allround systeem, dat zowel ethisch juist gedrag als de bevordering van concentratie en wijsheid inhoudt.
De Boeddha zelf heeft voor zijn verlichting, toen hij nog een bodhisattva was, lange tijd de weg tot volmaaktheid beoefend. Zoals een juwelier die met veel geduld en toewijding een ruwe edelsteen polijst tot de steen zijn diepe glans krijgt, waardoor de grote waarde ervan zichtbaar wordt.
De handelingen van een bodhisattva komen niet voort uit enig onheilzaam denken, maar zijn gebaseerd op onzelfzuchtigheid, mededogen en de inspanning om het lijden, waar hij/zij die ook tegenkomt, te verminderen. Iedereen die het ernstig meent met mentale ontwikkeling kan als een bodhisattva zijn: een wezen dat geheel en al ten dienste staat van anderen met zijn/haar kennis en inzicht en dat zich richt op het bereiken van de verlichting door volkomen zuivering van geest.
De paramita’s zijn niet alleen wegbereiders voor het spirituele pad, ze zijn stuk voor stuk eigenschappen die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van inzicht in de werkelijkheid. Voor het dagelijks leven hebben zij eveneens een onmisbare functie.
De essentiële bases voor de paramita’s zijn:
mededogen - karuna
kennis van het toepassen van de juiste middelen op de juiste tijd
vertrouwen - saddha
Dat betekent dat iemand die zich toelegt op de ontwikkeling van de paramita’s niet alleen handelt vanuit een zeker begrip van dukkha (conflict, lijden en pijn die inherent zijn aan het bestaan) wat een basis is voor mededogen, maar ook in staat is de paramita’s op de juiste tijd en op de juiste wijze toe te passen. Dat vereist een basaal vertrouwen in l. de juistheid en de vruchtbaarheid van die ontwikkeling zoals die zijn uiteengezet door de Boeddha, 2. dat zij door eigen inspanning en met succes kunnen worden ontwikkeld. Vertrouwen is hier dus geen blind aannemen of geloven op gezag van anderen, maar ontstaat door nauwgezet onderzoek van wat geleerd wordt.

Het begrip volmaaktheid kan op twee manieren worden gezien: l. volmaaktheid met een tijdelijk karakter. Iedere keer dat iemand er in slaagt de paramita’s toe te passen is er op dat moment volmaaktheid, ook al wordt die weer verdrongen door diep gewortelde gewoontepatronen. Het is te vergelijken met de geleidelijke afzetting van een sediment-laag.
2. blijvende volmaaktheid - wanneer iemand met grote inzet alle paramita’s beoefent, zal er een innerlijke transformatie van eigenschappen plaatsvinden, waarvan iemand dan eenvoudig niet meer afwijkt. Daarin is mededogen (karuna) een sterk motiverende factor.
Paramita’s. zijn eigenschappen die niet kunnen worden ontwikkeld als begeerte (tanha), trots (mana) en verkeerde opinies (ditthi) aanwezig zijn. Deze drie eigenschappen blokkeren door hun sterke egogerichtheid de ontplooiing van de paramita’s.
Het gevoel dat er een noodzaak is om de paramita’s te ontwikkelen is gebaseerd op een diep vertrouwen en begrip. Dat vertrouwen betreft specifiek vertrouwen in de Boeddha als leraar; de Dhamma als datgene wat als lering is gegeven; de Sangha als diegenen die die leer met succes in toepassing hebben gebracht.
Als zodanig begint het ontwikkelen van de paramita’s met het overwegen van een toevlucht waar men steeds op ken terugvallen, als basis om de voortgang ervan stabiel te laten verlopen.
Wat betekent een toevlucht?
Een toevlucht is een plaats (in dit geval een mentale gesteldheid) waar men steeds veilig naar kan terugkeren en zich beschermd voelt.
Het zoeken van een toevlucht berust op een gevoel van urgentie, dat ontstaat wanneer iemand beseft dat hij steeds gevaar loopt in het moeras van zijn eigen ongebreidelde emoties weg te zinken en tot daden komt die tot zijn eigen ondergang zullen leiden.
Een toevlucht moet, om dat gevoel van veiligheid te kunnen waarborgen, aan bepaalde voorwaarden voldoen:

  1. degene/datgene waartoe we toevlucht nemen moet ook inderdaad bescherming kunnen bieden en geen angst oproepen of inadequaat zijn (zelf van onzekerheid blijk geven of geen vaste basis bieden).
  2. het object van toevlucht moet de juiste middelen bieden die klaarblijkelijk bescherming geven (tegen een emotioneel onbeheerste geest - dukkha).
  3. daarom moet die toevlucht onpartijdig zijn, diepgaand onderzoek kunnen doorstaan en zelf niet afhankelijk zijn van allerlei wisselvalligheden.
  4. er moet duidelijk sprake zijn van hulp en bescherming die vrij is van eigenbelang en verwachtingen.
  5. de bescherming moet niet slechts zo nu en dan of voor een korte termijn zijn, maar op lange termijn effect hebben (voor iemands innerlijke ontwikkeling).

Mensen nemen tot vele en verschillende dingen hun toevlucht. Aan de hand van genoemde criteria kan ieder voor zich overwegen of zo’n toevlucht op lange termijn werkelijk bescherming biedt.
Bescherming tegen wie of wat?
Bescherming zoeken veronderstelt een latent of acuut gevoel van gevaar en angst. Angst voor aanwijsbare uitwendige dingen en omstandigheden is doorgaans iets waartegen iemand alleen of met anderen kan proberen maatregelen te nemen om die te ontwijken of te veranderen. Met betrekking tot het toevlucht nemen gaat het echter in de eerste plaats om bescherming te bieden tegen angst voor dingen die minder aanwijsbaar zijn, maar toch innerlijk als bedreigend worden ervaren en een heleboel stress en innerlijk conflict veroorzaken.
In zo’n gesteldheid zijn we de vijand van onszelf. Het vechten tegen een vijand veronderstelt: 1. dat de vijand als zodanig wordt herkend (niet langer onduidelijk of vermomd als ‘vriend’); 2. dat men over doeltreffende wapens kan beschikken; 3. dat men moet weten hoe met die wapens goed om te gaan en wanneer welk wapen nodig is om effect te hebben.

Als een van deze voorwaarden ontbreekt is er weinig kans om het er heelhuids van af te brengen.
De vijand is angst/boosheid/begeerte/onwetendheid (hindernissen).
De wapens zijn ethisch juist gedrag, concentratie en juist inzicht.
Het juiste en kundige gebruik is de beoefening van mentale ontwikkeling (meditatie) van kalmte en inzicht.
Degene die de wapens zelf heeft ontdekt, effectief heeft gebruikt en de vijand (dukkha) ermee heeft overwonnen is de Boeddha. De wapens zelf zijn de Dhamma, de leringen. Degenen die in vertrouwen die wapens hebben onderzocht, eveneens hebben gebruikt en gezien hebben dat zij effect hadden, zijn de Sangha, de verlichte discipelen.

Een andere vorm om een toevlucht te zien is:

  1. De Boeddha - die ons het innerlijke doel van ons bestaan wijst, leert hoe we vrij kunnen zijn (van dukkha) en ons die vrijheid als bescherming biedt.
  2. De Dhamma - het proces van ontwikkeling die een vaste betrouwbare leidraad is om die vrijheid te verwezenlijken en ons zo bescherming biedt.
  3. De Sangha - degenen die ons als het ware vanuit hun eigen praktische ervaring aanmoedigen en ons vertellen dat we daarin inderdaad bescherming zullen vinden. zoals zij dat gedaan hebben.
De kennis van deze dingen kunnen we vinden door:
  1. veel te luisteren naar uiteenzettingen van de leer;
  2. zelf te studeren en veel te oefenen;
  3. een goede vriend in Dhamma (kalyanamitta) te hebben die wanneer dat nodig is ondersteuning en advies kan geven.
Toevlucht nemen is een verbintenis met jezelf aangaan en heeft als basis mededogen (voor iemands eigen positie en die van anderen in de eindeloze cyclus van geboorte en dood) en vertrouwen (dat inderdaad een einde aan dukkha kan worden gemaakt door eigen inzet).
Het nemen van toevlucht geeft het proces van mentale ontwikkeling een duidelijke basis en meer richting en daardoor zal er meer voortgang te bespeuren zijn. Het nemen van toevlucht kan ieder moment worden herhaald wanneer dat nodig is, bijvoorbeeld wanneer we overspoeld dreigen te raken door emotionele toestanden. Er zal een kalmerende werking van uitgaan en we zullen ons op dat moment weer de dingen herinneren die goed zijn voor onszelf, voor anderen en voor beide, namelijk de ontwikkeling van de paramita’s.
“Ik neem toevlucht tot de Boeddha,
Ik neem toevlucht tot de Dhamma,
Ik neem toevlucht tot de Sangha.”
(drie maal herhalen)

Bij het nemen van de toevluchten is het goed tijd te nemen om te overwegen wat ze voor ons betekenen en hoe zij ons leven kunnen verdiepen en innerlijke harmonie kunnen geven. Een belangrijk aspect van het nemen van toevlucht is dankbaarheid die voortkomt uit het begrip dat vlak voor ons, binnen (mentaal) handbereik, een werkelijke opening gemaakt kan worden naar bevrijdend inzicht dat ontstaat door het geleidelijk begrijpen en verwijderen van dukkha en ten slotte volkomen te elimineren. Dit doel kan bij tijden ver weg lijken, maar iedere keer dat wij ons toeleggen op de ontwikkeling van de paramita’s kunnen wij daadwerkelijk de bevrijdende en zuiverende werking ervan ervaren. Het zijn stappen naar innerlijke onafhankelijkheid en een evenwichtige geest.

DANA-PARAMITA

De volmaaktheid van Vrijgevigheid
Het beoefenen van vrijgevigheid of dana is de eerste paramita, omdat geven iets is dat wij ook zonder dat we de paramita’s beoefenen vaak doen. Het is dus iets dat dichtbij ligt en niet veel moeite kost. Maar de daad van geven van dingen is daarmee nog geen paramita. Het wordt een paramita als de dana zonder enige bijbedoeling is en blijft, dat wil zeggen zonder vooropgezet idee of zelfs maar dankbaarheid te verwachten of later er toch weer spijt van te hebben. Geven om te geven, meer niet.
Er zijn verschillende vormen van dit zuivere geven:

  1. amisa-dana het geven van materiële dingen;
  2. abhaya-dana - het geven van bescherming, dat wil zeggen het geven van een gevoel dat er niets te vrezen is.
  3. Dhamma-dana - het geven van dhamma, uiteenzettingen van de leer.

Meestal beoefenen we amisa-dana, maar wat onderscheidt nu het geven van materiële dingen van dana als paramita?
Allereerst moeten we duidelijk onderscheiden welke motieven er kunnen meespelen bij het geven. Mensen kunnen dingen geven om:

  1. in een goed blaadje bij iemand te komen.
  2. uit sociale verplichting, gewoonte, omdat iedereen het doet.
  3. er iets voor terug te kunnen krijgen of met het oog op een toekomstig bestaan.
  4. om er populair door te worden of een roemrijke reputatie te krijgen.
  5. om iemand aan zich te verplichten en later om reden van de gift een wederdienst te kunnen vragen.
  6. omdat men zelf iets gekregen heeft, ook iets wil teruggeven.
  7. iets geven om te geven, bijvoorbeeld omdat iemand in nood zit.
Al deze motieven (behalve onder 7) verminderen de op zichzelf goede daad van het geven met een duidelijke bijbedoeling, die het motief ervan vormt. Deze motieven hebben allemaal te maken met subtiele vormen van verlangen of aversie die daarin een rol spelen. Verlangen en aversie zijn wortel-condities van onheilzame gedachten.
Het geven om het geven als zuivere daad, zonder enige bijbedoeling of verwachting is dana als paramita. Geven heeft te maken met het delen van datgene wat men heeft. Delen betekent niet dat iemand alleen maar geeft omdat hij toch zelf genoeg heeft en er makkelijk wat van kan weggeven zonder zichzelf iets te hoeven ontzeggen. Het wordt al moeilijker als we in een situatie komen waar we iets zouden kunnen geven waar we zelf aan gehecht zijn of waardevol vinden, maar het toch kunnen afstaan omdat een ander daar behoefte aan heeft. Geven moet wel met wijsheid gebeuren, zodat we niet door onze vrijgevigheid zelf in grote problemen komen, maar we kunnen natuurlijk wel onszelf eens iets ontzeggen, omdat we van het weinige dat we hebben toch nog willen delen.
De Boeddha zei eens, dat wie eenmaal de waarde van zo’n gift kent zoals hij die kende, nooit meer een maaltijd voorbij zou laten gaan zonder de wens te hebben om die te kunnen delen. Voor ons, in een land van overvloed is dat misschien niet zo moeilijk, maar als bedelmonnik die soms maar weinig en schraal eten krijgt betekent zo’n wens tot delen dat hij bereid is dan maar met wat minder te doen en toch iets af te staan. Hij kan als hij dan honger krijgt niet even maar wat pakken om te eten, maar hij contempleert dan op het goede van de dana die hij heeft verricht.

Op die manier is dana vrij van aversie, begeerte en egoïstische motieven en is het een juiste handeling (samma-kammanta, de vierde factor van het achtvoudige pad).
Zo wordt dana een voeder van medevreugde (een van de vier brahma-vihara’s, de sublieme toestanden van de geest) en werkt in samenhang met welwillende vriendelijkheid, mededogen en gelijkmoedigheid omdat de geest vervuld is van sublieme, zuivere gevoelens.
De gift is ook erg belangrijk in de zin dat het niet erg verstandig is om iemand die arm is en erge honger heeft een mooi boek met recepten te geven of iemand die op blote voeten loopt en geen schoenen kan kopen een warme muts te geven. Het betekent dat we aandacht moeten hebben voor de aard van de noden en behoeften van anderen en daaraan iets proberen te doen door iets passends te geven.
Zo is het ook niet erg wijs om aan iemand die gokt en drinkt en zijn geld verspilt geld te geven, maar zo iemand kan misschien beter geholpen worden met een behoorlijke maaltijd of wat goede kleren als daar behoefte aan is. Het geven van eten aan mensen is, met name in Azië, een wijdverbreide gewoonte. Het wordt opgevat als bijzonder heilzaam, omdat men met het verschaffen van voedsel iemands leven verlengt, hem/haar levenskracht geeft. Zo wordt aan monniken en nonnen, die zelf geen voedsel kunnen kopen of bereiden, eten en andere noodzakelijkheden gegeven om hen in staat te stellen hun energie te besteden aan de oefening van mentale ontwikkeling.

Op het moment van geven is ook de relatie van de gever en de ontvanger van belang. In dana als paramita is die gebaseerd op de wederzijdse zuivere motieven van geven en ontvangen. Daarin ligt dus geen enkele eis of verwachting van dankbaarheid of er iets voor terug te willen krijgen. Een gift heeft een heel bijzondere betekenis als iemand geeft aan een persoon van hoge mentale ontwikkeling, bijvoorbeeld aan de Boeddha, of een Arahat, omdat hierin de daad van ontvangen volkomen zuiver is en dat de daad van geven bijzonder heilzaam maakt. Maar elke daad van geven die door een zuiver mededogen wordt verricht heeft dat heilzame karakter.

Er worden drie typen van een gever genoemd in de teksten:

  1. iemand die zelf het beste van wat hij heeft houdt en het mindere weggeeft.
  2. iemand die alleen geeft wat hijzelf gebruikt en niets meer of beters wil geven.
  3. iemand die het beste geeft wat hij heeft en wat hij zich kan veroorloven.

Abhaya-dana heeft te maken met het niet inboezemen van vrees en het geven van een gevoel van veiligheid. Dat kan betekenen dat men daadwerkelijk anderen beschermt door maatregelen te treffen tegen wat hen bedreigt, als men daartoe in staat is. Maar mentaal gezien betekent het ook anderen de zekerheid te geven dat ze niets te vrezen hebben in het contact met ons. Wij kunnen bijvoorbeeld anderen bang maken door hen voortdurend met onze woorden of daden in een vervelende of pijnlijke positie te brengen. Of anderen kunnen bang worden omdat wij niet betrouwbaar zijn en onze beloftes niet nakomen. Er zijn zoveel manieren waarop ons gedrag anderen kopschuw en bang kan maken. De wortelconditie voor een dergelijk gedrag is dan aversie en trots (die voortkomt uit onwetendheid en begeerte naar een dominant gedrag). Dus het geven van een veilig gevoel waardoor anderen gerustgesteld zijn en vertrouwen kunnen hebben is abhaya dana. Het is een heel bijzondere vorm van dana omdat ook hier de vier brahma-vihara’s tot uitdrukking worden gebracht. Het bevordert de goede verstandhouding tussen mensen onderling en mensen staan meer openen voor elkaars gevoeligheden. De Boeddha was het voorbeeld van abhaya-dana bij uitstek. Het was niet alleen zijn houding van rust en het ontbreken van elke vorm van agressie die de mensen vertrouwen inboezemden, maar ook omdat hijzelf geen angst kende - een ander aspect van abhaya-dana. Wie door mentale ontwikkeling in zichzelf alle angst heeft overwonnen schept ook geen atmosfeer van angst en stress om zich heen. Dan zullen mensen ook in alle rust zich open kunnen stellen voor wat die persoon te zeggen heeft. De grote indringendheid van de Boeddha was te danken aan zijn voortdurende abhaya-dana, die specifiek mededogen als basis heeft. Het betekent aan de andere kant niet dat zo iemand alles maar door de vingers ziet. Vanuit een houding waar abhaya-dana op gebaseerd is, zal zeker ook een corrigerende werking kunnen uitgaan, maar wel een die opbouwend is, met in achtneming van de mogelijkheden die er op dat moment zijn in het onderlinge contact, zonder anderen te kleineren of te kwetsen.

Het bieden van bescherming en een gevoel van veiligheid moet zuiver zijn en in het belang van anderen. De motieven moeten niet uit eigenbelang, bezitsdrang of een hang naar macht zijn. Die kunnen heel subtiel zijn, maar dan is er geen sprake van abhaya-dana en is er verlangen en eigendunk in het spel. In abhaya-dana is er medevreugde en een welwillendheid die stamt uit het begrijpen van dukkha, waaraan wezens steeds weer zijn blootgesteld. Daarom zijn vergevingsgezindheid en tolerantie belangrijke aspecten van abhaya-dana.
Als zodanig heeft abhaya-dana ook te maken met de levensregels als het niet doden, niet oneerlijk te zijn of anderen in een relatie te kwetsen en te bedriegen, te liegen, over anderen praatjes rond te strooien of ruwe taal te gebruiken en een onbeheerst gedrag te hebben onder invloed van geestbenevelende stoffen en dranken. Een juiste moraliteit is een vorm van abhaya-dana.

Dhamma-dana is van de drie genoemde vormen van dana het moeilijkst, omdat 1. iemand de Dhamma (de leer van de Boeddha) goed moet kennen om die op een juiste manier aan anderen te kunnen overdragen en 2. iemand zelf ook moet leven volgens de principes die hij uitdraagt. Ontbreekt een van de twee dan is er sprake van misleiding (bewust of onbewust) en is de dana niet zuiver. Ook hier was de Boeddha degene die Dhamma-dana bij uitstek beoefende door 45 jaar lang, onder niet altijd even makkelijke omstandigheden. de bevrijdende Dhamma aan de mensen te geven. De kracht van Dhamma-dana is te voelen in de woorden van de Boeddha die tot op de dag van vandaag nog even actueel zijn en mensen van deze eeuw in hun handelen positief zouden kunnen beïnvloeden. Bij Dhamma-dana speelt ook de ontvanger een rol. Soms zweeg de Boeddha, tot verwondering van zijn publiek. Desgevraagd legde hij dan uit dat, wanneer de Dhamma niet op de juiste tijd en aan de juiste persoon wordt gegeven het geen goede gift is en zelfs verwarring kan veroorzaken. Hier speelt de andere basis voor het ontwikkelen van de paramita’s een rol: het juiste gebruik van de middelen en op de juiste tijd. De ontvanger moet een zekere ontvankelijkheid hebben om de gift tot zijn volle ontplooiing te laten komen.
Een aspect hiervan is kala-dana iets geven bij de juiste gelegenheid en op de juiste tijd, bijvoorbeeld als iemand ziek is die dingen te zeggen en te doen die in die situatie gepast zijn en hulp bieden, of als iemand op reis gaat iemand van de juiste adviezen voorzien, enzovoort. Dhamma-dana bestaat niet alleen uit het uiteenzetten van de Dhamma, maar ook er overeenkomstig naar handelen.
Dhamma-dana wordt beschouwd als de hoogste gift, omdat het de ontvangers ervan direct een mogelijkheid biedt om zichzelf te bevrijden van de greep van dukkha: “Ik leer u slechts een ding, dukkha en het ophouden ervan.”

Dana berust op opgeven, afstaan, loslaten, zoals een druppel van een lotusblad afglijdt zonder een spoor achter te laten. Het gaat om de interactie tussen gever en ontvanger. De gever heeft een ontvanger nodig, de ontvanger de gever. Dana is een van de belangrijke momenten waarop het onderscheid tussen mensen wegvalt in het gezamenlijk delen.
De verdienste van dana kan heel groot zijn, maar wanneer er gegeven wordt met het oog op die verdienste is dana beroofd van zijn grootste waarde, omdat verlangen hier een basis vormt en het daarom geen juist handelen is in de zin van het achtvoudige pad. Dana gaat bezitsdrang tegen en ondermijnt het besef van dat iets ‘mij alleen toebehoort’. Dana is een sterke impuls tot medevreugde.
Er zijn in het dagelijks leven zoveel dingen die we kunnen geven en we kunnen overwegen of we met de juiste motieven geven:

vriendschap geven - is het wel een zuivere vriendschap?
raad geven - is het wel een goede raad, in het belang van de ander?
vreugde geven - goede, echte vreugde of aanleiding tot leedvermaak?
zich moeite geven - zonder eigenbelang, als welgemeende hulp?
rust geven - echte innerlijke rust of maar sussen en ‘kop in het zand steken’?
moed geven - die niet tot roekeloos optreden leidt
vertrouwen geven - die we ook echt kunnen belonen en onze beloftes kunnen nakomen?
vrijheid geven - iemand niet dwingen zich aan te passen aan onze opvattingen?
Vrijgevigheid kan tot uiting komen in de meest eenvoudige en gewone dagelijkse handelingen. Als we letten op onze verbale en fysieke handelingen is vaak de stap maar heel klein om van een gewoontehandeling, die gebaseerd is op verlangen, haat en onwetendheid, te komen naar een stap die gemotiveerd wordt door opgeven van eigenbelang, door welwillendheid en het besef van de mogelijkheid om op dat specifieke moment iets goeds te doen. Word eens niet geïrriteerd of nijdig als er iets gebeurt dat u niet zint, maar geef een vriendelijke glimlach of een aardig woord. Vergeef eens een belediging of iets dat u gekwetst heeft. Wie is gekwetst? Was ik toen dezelfde als toen die kwetsende woorden werden gesproken? Wat is gekwetst? Kan dat mijn dierbare zelfbeeld zijn, mijn ‘ego’, dat misschien zelf ook wel eens aanzet om te kwetsen? Deze kleine ‘kristallen’ van dana maken van uw geest een waardevol juweel. We kunnen regelmatig contempleren op de zuiverende werking van dana als paramita en zien waar en wanneer we dit kunnen toepassen. De grootste verdienste ervan is dat dana-paramita de dwingende en meesslepende kracht van verlangen, haat en onwetendheid ondermijnt en elimineert. We kunnen er bevrijding, hier en nu in ervaren.

Het resultaat van de beoefening van dana is grotere openheid naar anderen, vreugde in het kunnen delen, het zien van goede handelingen in iemand zelf, anderen en beiden

Terug