Mediteren in Myanmar - als leek en als monnik - Bert Leguijt
Na vijf jaar vipassana wilde ik wel eens naar het land waarvan deze meditatietechniek naar Europa gebracht is. Omdat ik mediteer in de traditie van Sayagyi U Ba Khin wilde ik naar Myanmar (Birma). Ik schreef wat brieven maar het meditatiecentrum in de hoofdstad Yangon, maar kreeg geen antwoord. Ik zocht daarom in Europa naar mensen die in Myanmar gemediteerd hebben; ook zij kunnen mij niet echt veel verder helpen. Ze zeggen bijna allemaal hetzelfde: waarom ga je daar helemaal heen, je kunt hier toch ook mediteren? En: je moet zelf je weg daar maar zien te vinden.
Zo ga ik op reis zonder een concreet plan. Mijn wens is om in Yangon meditatiecentra te bezoeken en een tiendaagse vipassana-cursus te volgen.
Na één dag in het ‘Gouden Land’ heb ik al een eenpersoonskamertje in het International Meditation Centre (IMC) waar ik een cursus zal volgen. Dit meditatiecentrum is in 1952 opgericht door lekenleraar Sayagyi U Ba Khin (1899 – 1971). De cursus bestaat uit drie dagen anapanasati, waarbij de aandacht vastgehouden wordt op de plaats tussen neus en bovenlip, en zeven dagen vipassana bhavana, waarbij met aandacht het lichaam ‘gescand’ wordt, van de kruin tot en met de voetzolen. Er worden in beide technieken geen gewaarwordingen benoemd; ze worden alleen geobserveerd. U Ba Khin leerde deze techniek van de eerbiedwaardige monnik Webu Sayadaw (1896 – 1977).
Er is bij mijn komst geen cursus gaande, dus ik doe deze tien dagen alleen. Er is nog een Fransman met zijn negende dag bezig, verder mediteren hier alleen wat gepensioneerde Myanmareese mannen en een enkele vrouw. Er is weinig begeleiding – de huidige leraar is ziek of afwezig – en ik ben blij dat ik het boek met discourses voor tiendaagse cursussen bij me heb. Na een paar dagen kan ik voor een dagelijks gesprek bij één van de medewerkers terecht. Het is prettig om goede ondersteuning bij het mediteren te krijgen.
Het IMC ligt midden in een dichtbebouwde ‘rijkelui buurt’. Stil is het hier niet. Behalve de krijsende vogels en de auto’s en treinen ver weg, worden een meter van mijn meditatieplek de deuren van de dhamma-zaal vernieuwd. Vlakbij mijn oren wordt gezaagd, getimmerd en gepraat. Buiten wordt een nieuw stenen trap naar de zaal gemetseld, nadat eerst dagenlang de oude trap met hamers en beitels is weggesloopt.
In de middaguren, als de temperatuur naar de veertig graden gaat, mediteer ik het liefst in een van de cellen onder de pagoda. Ook hier is het warm, maar niet zo heet als in de volle zon in de zaal. Het liefst sluit ik de deur van de cel, zodat het er pikdonker wordt. De eerste keer dat ik hier zit, verbaas ik me erover hoe snel deze kleine cel in een buitenwijk ergens in Azië, gevuld is met mijn Nederlandse gedachten en beelden.
In deze omstandigheden gaat het mediteren moeilijker dan in Nederland, maar ik vind het fijn om eens met andere woorden de uitleg van de vertrouwde techniek te horen. Van sommige details is dat zo verrassend, dat het lijkt alsof ik ze voor het eerst ontdek.
Het IMC heeft centra over de hele wereld en ook in Nederland worden regelmatig tiendaagse cursussen georganiseerd. Het centrum in Yangon is het hele jaar te bezoeken; behalve in januari als onderhoud en verbouwingen worden verricht. Elke tweede vrijdag van de maand begint een cursus voor Myanmareese studenten. Er is hier onderdak voor 150 personen.
Mijn verblijf in het meditatiecentrum krijgt een onverwachte wending als op dag drie van de cursus - door wat ik hoor en lees - de gedachte in me opkomt, me als monnik te laten inwijden en zo mijn meditatie te vervolgen. Als ik op dag zes dat verlangen uitspreek, is op dag zeven alles geregeld. Een paar dagen later ga ik naar het Shwe Oo Min-klooster in het noorden van de stad. Het is een eenvoudige nederzetting van ongeveer tien gebouwen: een meditatiezaal, ordinantiezaal, eetzaal, een werkplaats en woningen voor monniken. Er wonen hier ongeveer twintig monniken en een paar lekenvolgelingen die met het programma meedoen: ze worden ‘yogi’s’ genoemd. Het klooster ligt direct aan een spoorlijn en vlakbij het vliegveld. Op het terrein wordt een nieuwe watervoorziening gebouwd, getimmerd, gemetseld en geschuurd, dus stil is het hier ook niet. “Door al deze geluiden leren wij ons nòg beter te concentreren”, zegt iemand hier – en dat is waar.
Bij mijn inwijding als monnik ben ik zenuwachtig. Ik moet telkens lang wachten en weet niet wat er gaat gebeuren. Als eindelijk een ‘assembly’ van negen monniken gevormd is, wordt mijn hoofd kaalgeschoren, krijg ik een roestbruine robe aan en heet ik Khanticāra (de essentie van geduld). Van de 227 regels waaraan ik me nu hoor te houden, krijg ik maar enkele tientallen in een Engelse vertaling onder ogen. De vier belangrijkste zijn: geen seks, niet stelen, niet doden en niet opscheppen over eigen geestelijke vermogens. Ik krijg een tekst die ik elke dag voor mezelf op zal zeggen, waarin staat dat ik het mijn geschonken voedsel en onderdak, de robe en de medicijnen uit noodzaak zal gebruiken en niet als luxe. Voor alle regels die ik in onwetendheid overtreed, doe ik elke ochtend schuldbelijdenis bij een monnik met een kort ritueel in het Pali.
’s Morgens sta ik om half vier op van mijn harde bed zonder matras. Eerst mediteren, daarna ontbijt van rijst met water en zout. Daarna weer mediteren. Om half acht lopen we blootsvoets een bedelronde in de buurt: ontroerend dat dit sinds Boeddha’s tijd nog steeds bestaat – ik krijg er tranen van in de ogen. Daarna is er een gezamenlijk was- en doucheuur, er wordt weer gemediteerd en het opgehaalde voedsel wordt opgegeten (niet vegetarisch). Vanaf dan is het tot ‘s avonds negen uur alleen nog mediteren.
Hier wordt het zittend mediteren afgewisseld met loopmeditatie. Omdat ik deze techniek niet ken, onttrek ik me hieraan en maak voor mezelf een programma van anderhalf uur zitten en een half uur rust.
Na vier dagen vertrek ik naar een dependance van dit klooster, 20 kilometer ten noorden van Yangon. Daar, aan de rand van de nieuwe ‘Robijnstad’ Padamyar tref ik een heel nieuw complex. Alles is hier nieuw en het is nog lang niet af. Er zijn ruim honderd eenpersoonskamers, maar het complex wordt slechts gebruikt door acht monniken, drie nonnen (te gast uit Korea) en vier yogi’s. Behalve mediteren valt hier weinig te beleven. Het terrein is ommuurd, er is geen aanloop van buurtbewoners en hier worden geen bedelrondes gelopen.
Ik ben hiernaar vertrokken met alleen mijn toilettas, handdoek en paspoort. Al mijn andere bezittingen heb ik achtergelaten in het hoofdklooster. Geld mag ik als monnik sowieso niet aanraken en iets anders heb ik niet nodig.
We mediteren hier in een ruime zaal die de ordinantiezaal heet. In de toekomst zal deze zaal gebruikt worden voor het inwijden van monniken. Na een dag van relatieve rust, arriveert een vrachtwagen vol bouwmateriaal en beginnen luidruchtige bouwvakkers met de fundering van een nieuw meditatiegebouw.
“Als je naar een geluid luistert, betekent dat niet dat je samadhi (geconcentreerde aandacht) verdwijnt. Als je maar aandachtig luistert. Neem het geluid bewust waar en breng dan je aandacht weer naar het object van meditatie”, legt de leraar hier uit. Net als alle mensen hier is hij een jong iemand, nog geen dertig. Hij spreekt weinig Engels, maar één van de yogi’s vertaalt voortreffelijk: de reden van mijn verhuizing hier naar toe. De leraar is bekend met de meditatietechniek van Sayagyi U Ba Khin en hij kan me daarin begeleiden. Dat is erg prettig. Hij adviseert me minder te zitten en in de tussentijd alles met aandacht te doen: lopen, eten, scheren, naar het toilet gaan – alles. Deze moeilijke opgave ervaar ik als een verrijking van mijn zitmeditatie.
Het mediteren gaat, zoals altijd, in veranderlijkheid. Er zijn uren dat de tijd erg langzaam gaat (soms dagenlang), dan is er verveling, is er overal pijn en verlangen weer thuis te zijn. Andere uren gebeurt er van alles met mijn lichaam en geest en merk ik weer hoe krachtig, effectief en bevrijdend vipassanameditatie is.
Na een week ga ik weer terug naar het hoofdklooster en lever ik mijn robe en bedelnap in. Met een toeristenvisum van een maand, en na 21 dagen mediteren, heb ik nog een week over om andere meditatiecentra te bezoeken.
Het Chanmyay Yeiktha meditatiecentrum en klooster is opgericht en staat onder leiding van de geleerde monnik Chanmyay Sayadaw (geboren in 1928, ook bekend als U Janaka). Het complex ligt aan een drukke weg in een rustige wijk in Yangon. Bij aankomst doen de aanwijzingen in Birmees schrift wat onvriendelijk aan voor een buitenlander, maar als eenmaal Engelssprekende monniken gevonden zijn, is dat gevoel snel verdwenen. Belangrijk in de meditatietechniek die Chanmyay (volgens de methode van Mahasi Sayadaw) doceert, is het continu observeren van alle gewaarwordingen in lichaam en geest. Zitmeditatie wordt afgewisseld met lopen en de dagelijkse bezigheden. Alle gewaarwordingen worden benoemd en van moment op moment geregistreerd. Zo bestaat bijvoorbeeld het zetten van één stap uit zes fasen: het optillen van de hiel, het optillen van de voet, het naar voren bewegen van de voet, het laten neerdalen van de voet, het voelen van de grond en het neerdrukken van de voet. Alle bewegingen worden in slowmotion uitgevoerd. Het is bijzonder om mensen zo te zien mediteren.
Het centrum is het hele jaar open. Gasten kunnen als leek mediteren en als monnik worden ingewijd. Momenteel wordt er op het terrein druk gebouwd aan een nieuw gastenverblijf. Als dit klaar is kunnen hier 150 mensen logeren. Het centrum heeft ook een meditatieruimte buiten de stad. Doordat veel Myanmareese artsen naar Zuid Afrika geëmigreerd zijn, is ook daar een centrum van Chanmyay gevestigd.
Vorig jaar werd het 50-jarig bestaan gevierd van het Mahasi centrum, genoemd naar Mahasi Sayadaw (1904 – 1982). Deze monnik is erg bekend in Myanmar en omgeving: overal kom je zijn naam en boeken tegen. Het meditatiecentrum is als een dorp met meer dan 100 gebouwen. Op hoogtijdagen, als het Myanmareese nieuwjaar (8 en 9 april), mediteren hier zo’n 4000 mensen.
Er wordt vipassana onderricht op basis van het rijzen en dalen van de buik. Dit kan uitgebreid worden met het registreren en benoemen van de gewaarwordingen in het lichaam op elk moment. Als studenten liever anapana doen, wordt ook dit onderwezen.
Het dagprogramma begint ’s morgens om drie uur en bestaat voornamelijk uit een uur zitten en een uur lopen. Om elf uur ’s avonds is het tijd voor bewust slapen. Mahasi mediteerde ooit 15 dagen en nachten zonder slaap... Het centrum is het hele jaar open en iedereen kan zelf de lengte van het verblijf bepalen: er worden geen vastgelegde cursussen gegeven. Het is mogelijk je hier als monnik te laten inwijden en het centrum kan desgevraagd een aanbevelingsbrief verzorgen die nodig is voor een meditatievisum dat langer geldig is dan een toeristenvisum. Het centrum heeft vele zuster- en dochtervestigingen in Azië, Australië, Amerika en Europa. In Nederland zijn er contactadressen in o.a. Groningen en Tilburg.
Ook in Yangon zijn meerdere meditatiecentra door Mahasi Sayadaw opgericht of waar ‘zijn’ techniek wordt onderwezen. Niet alle centra zijn toegankelijk voor buitenlanders, omdat niet overal Engelssprekenden zijn. Het Saddhammaransi meditatiecentrum wordt wel door buitenlanders bezocht. Het is in 1979 door Mahasi opgericht en wordt nu geleid door Sayadaw U Kundala. Het ligt in een dichtbebouwde wijk in het noorden van de stad. Uit de achtertuin van de buren klinkt keiharde muziek, maar ik heb inmiddels begrepen dat het een westers idee is, dat je voor meditatie een stille omgeving nodig hebt. Het centrum heeft plaats voor 150 studenten en het is hier alleen mogelijk te mediteren als je door een bekende bent geïntroduceerd. Dit centrum hanteert wat strengere regels en je behoort je strikt aan het dagprogramma te houden van zeven uur zitmeditatie en zes uur loopmeditatie. Het is niet de gewoonte dat je hier slechts enkele dagen verblijft: men rekent hier in maanden. Het centrum heeft een contactpersoon en lerares in Amsterdam.
Het Panditarama centrum, ten slotte, heet een ‘studie- en meditatiecentrum’. Hier worden zowel klassieke teksten geleerd als gemediteerd. Bij uitzondering is het hier mogelijk om Pali of Burmees te leren. Het centrum ligt in dezelfde ‘rijkelui buurt’ als mijn eerste meditatieadres. Het centrum is in 1990 opgericht door de monnik Sayadaw U Pandita (geboren in 1921), en ook hier wordt de meditatietechniek van Mahasi onderwezen. In dit centrum is onderdak voor ongeveer 100 studenten; in een nieuw centrum, 80 kilometer buiten Yangon, is eveneens plaats voor 100 mediterenden. In dit nieuwe Forest Meditation Centre studeren nu 25 buitenlandse gasten. Je kunt hier alleen mediteren na het vooraf schriftelijk aanvragen van een aanbevelingsbrief, waarna een meditatievisum kan worden gegeven.
Het centrum heeft in Myanmar nog drie centra, en daarnaast in Nepal, Amerika, Canada, Australië en Engeland. Het centrum heeft in grote lijnen dezelfde regels als de andere Mahasi-meditatiecentra. maar in de folder van dit centrum klinkt het allemaal wel erg streng: “Mediterenden moeten alle activiteiten in slowmotion doen: alsof ze ernstig zieken zijn. Ze moeten zich gedragen als blinde, dove en stomme mensen.”
Na een maand vol van vipassana ga ik een stuk wijzer en met ervaringen rijker weer naar huis. Dagen achter elkaar alleen maar mediteren is erg intensief. Er waren tijden bij dat ik dacht: wat doe ik hier? Waarom ben ik niet gewoon in Nederland mijn dagelijkse dingen blijven doen? Totdat iemand me uitlegde: “Je hebt in een vorig leven ook gemediteerd; daarom ben je hier...”
|