Je hart bij je werk | SIM – Stichting Inzichts Meditatie
Untitled Document

Je hart bij je werk - Lewis Richmond

Over het samengaan van beroep en spiritualiteit. 

De meeste mensen associëren boeddhisme vooral met het ontwikkelen van kalmte, vriendelijkheid en compassie. Lewis Richmond laat ons een ander aspect van het boeddhisme zien: de actieve, geëngageerde kant die ons in staat stelt creativiteit, inspiratie en resultaat te bereiken in ons beroepsleven. Hij doet dat aan de hand van meer dan veertig oefeningen die gedaan kunnen worden temidden van een drukke werkdag. Hij baseert zich daarbij op het principe 'wat voor rang en plaats je op je werk ook hebt, je bent altijd de baas over je innerlijk leven'. Dit inspirerende boek laat zien dat we werk en geestelijk leven niet gescheiden hoeven te houden. Hieronder volgt een fragment (met toestemming van uitgeverij Asoka).

AMBITIE

Ik had eens een vriend - laten we hem Jason noemen - die een uitstekende middelbare-schoolleraar was. Alle ouders van zijn leerlingen zeiden dat, en zijn leerlingen hielden van hem. Hij was vernieuwend, hij durfde te experimenteren, en hij was creatief. Bezoekers aan zijn schoollokaal waren verbaasd over het gezoem van energie en nieuwsgierigheid dat de ruimte vulde.
Vele jaren lang had Jason het gevoel dat hij zijn ware roeping gevonden had. Maar tenslotte vond hij niet langer voldoening in het leraarschap. In het geheim verlangde hij ernaar op zijn zuster te lijken, die een rijke, succesvolle chirurg was. Hij droomde over in een groter huis leven, over in een Masarati-cabriolet kunnen rijden met de kap naar beneden. Hij zocht naar een ander beroep dat hem in staat zou stellen meer geld te verdienen, en besloot een baan als makelaar te nemen. Zijn toekomstige werkgever, een jonge ondernemer met een doldrieste manier van doen en een Mercedes-sportwagen, verleidde hem met visioenen van het snelle geld dat gemaakt kon worden op de levendige onroerend-goedmarkt.
Jason marcheerde de kamer van het schoolhoofd binnen en gaf een speech waarin hij zijn baas afzeikte, waar we allemaal van tijd tot tijd over gefantaseerd hebben. Hij vertelde het schoolhoofd hoe fantasieloos en saai hij was, hoe vervelend het was om voor hem te werken, hoe onverteerbaar en bureaucratisch het schoolsysteem was. Hij gaf z'n speech, voelde een golf van bevrijding en opluchting, en liep toen z'n school, z'n baan, en z'n loopbaan uit.
Jason had geen verstandige keus gemaakt. De onroerend-goedhausse in het Noordoosten waar hij leefde, zakte plotseling in elkaar. Je kon daar niet rijk van worden. Jason begon gefrustreerd en depressief van zijn leraars-pensioenfonds te leven. Hij experi-menteerde met drugs. Z'n familie viel uit elkaar. Z'n vrouw scheidde van hem.
De meest droevige kant van het verhaal is dat Jason gelukkiger was geweest dan de meesten van ons. Hij had zijn roeping gevonden - lesgeven aan jonge mensen - en verdiende er goed geld mee. Dat is meer dan waar veel mensen ooit toe in staat zijn. En toch gooide hij het weg om achter een slecht geïnformeerde, slecht passende droom aan te jagen. Hij was een geboren leraar, een genie in de schoolklas, en ongeschikt voor het leven van een verkoper. Zelfs als hij succes behaald had op de onroerend-goedmarkt, zou hij waarschijnlijk niet gelukkig geweest zijn.
Een van de sterkste kanten van ons kapitalistische systeem is dat het ambitie aanmoedigt en beloont. Het verlangen om voor jezelf, je kinderen, en je familie succes te behalen, de drijfveer om te ontdekken, te vernieuwen, te onderzoeken, en te creëren kan een positieve kracht ten goede in de wereld betekenen. Maar het heeft een duistere kant. Ambitie is doorvlochten met hebzucht, met het najagen van geld, status en macht. Ambitie kan makkelijk niet een middel tot een doel, maar een doel op zich worden, schadelijk, verslavend en destructief.
Wat is de spirituele benadering van ambitie? Heeft wereldse ambitie een legitieme plek in het spirituele leven? Hoe kan een spirituele houding ambitie temperen, en voorkomen dat ze tot blinde hebzucht vervalt? Mijn vriend Jason dacht echt dat hij de Amerikaanse droom volgde - hoger reiken, risico's nemen, voor het goud gaan. In plaats daarvan vernielde hij alles waarom hij gaf. Hij was noch een slechte, noch een dwaze man. Integendeel, hij was slim, zorgzaam, meedogend, en had een oprechte spirituele dimensie in zijn leven. Wat ging er fout?
Jullie weten langzamerhand dat ik ervan houd films als illustratie te gebruiken. Sta me dus toe dat ik nog één keer een van mijn favoriete films in de herinnering roep: Key Largo, met Humphrey Bogart in de hoofdrol als cynische oorlogsheld met een hart van goud, en Edward G. Robinson als Rocco, de gangster. Luister naar deze kernachtige conversatie:

Bogart: Weet je wat jouw moeilijkheid is, Rocco? Je wilt méér.
Robinson (die met een grijns van plezier de sigaar uit z'n mond neemt): Ja! Zo is het! Ik wil méér!

'Meer' is niet slecht op zichzelf. Het is terecht om meer te willen. In feite is de werkplek een van de belangrijkste gebieden in ons leven, waar het zoeken naar méér vrucht kan dragen. Het verlangen om nieuwe vaardigheden te leren, om van dienst te zijn, om een betere, meer bevredigende baan te vinden, om eraan bij te dragen van de wereld een betere plek te maken, een blijvende erfenis achter te laten, zijn allemaal belangrijke en waardevolle doelen, zowel in materiële als spirituele zin. Maar er is een dunne scheidslijn tussen ambitie en hebzucht, risico en dwaasheid, meer willen en nooit tevreden zijn zonder méér. Rocco de gangster wilde méér, niet voor een hoger doel, maar domweg om de sensatie. Hij wilde meer omdat hij geen leven of karakter had, dat de waarde kon herkennen van wat hij had, en 'meer' was alles dat hem op gang hield. Zijn criminele inslag maakte dat hij weinig oog had voor de gevolgen van zijn daden voor anderen, zolang zijn honger naar het volgende, naar meer, werd bevredigd.
Er zit iets van Rocco in iedereen, denk ik. Die primitieve begeerte naar méér is het, die voedsel geeft aan ons verlangen om succes te hebben voor onszelf en onze familie, om hoger te reiken en grootser te dromen. Wanneer Rocco grijnst en zegt: 'Ja! Zo is het! Ik wil meer!' spreekt hij tot op zekere hoogte namens ons allen. Wat gedenkwaardig is aan deze zinnen is dat meer geen bijvoeglijk, maar een zelfstandig naamwoord is. Rocco wil niet meer zekerheid, meer erkenning, meer voldoening, hij wil meer van alles, meer als doel op zichzelf.
Door dit verschil kun je legitieme ambitie van hebzucht onderscheiden. In staat zijn dat verschil te begrijpen en ermee te werken, is het onderwerp van dit hoofdstuk. Wanneer mijn vriend Jason, bij z'n rusteloosheid in het lesgeven, in staat was geweest om onderscheid te maken tussen zijn legitieme ambitie aan de ene kant, en z'n afgunst en onvoldaanheid aan de andere, dan zou hij misschien zichzelf hebben kunnen tegenhouden, voordat hij zo snel zo diep viel. Op het kritieke moment verwarde hij de twee in z'n gedachten en handelde hij zonder over de mogelijke gevolgen na te denken. Ambitie maakte hem blind.
Ik zou jullie willen laten weten dat het boeddhisme een heel stelsel van oefeningen heeft, gemaakt om met dit onderwerp om te gaan, maar wereldse ambitie is een van die gebieden waarop het boeddhisme er last van heeft dat het een oude, en geen moderne traditie is. Boeddhisme ziet in dat trots een van de meest hardnekkige geestestoestanden is, zelfs voor mensen op een gevorderd spiritueel niveau. Te oordelen naar de hoeveelheid aandacht die er in de traditionele teksten aan gegeven werd, was trots een even groot probleem in de oude, boeddhistische kloosters als ambitie is in de bedrijfskantoren van vandaag. Maar monnikstrots haalt het niet bij de wereldse ambitie op de moderne werkplek.
Toen ik dertig jaar geleden in een boeddhistisch retraitecentrum woonde, zagen we werk als iets dat ons afleidde van onze spirituele beoefening. Het was gebruikelijk onder mijn boeddhistische vrienden, waarvan velen een academische graad hadden, om een baan te nemen die weinig eisen stelde en ze in staat stelde om zich te concentreren op hun spirituele studie.
Ik ben dankbaar voor mijn jaren van monastieke eenvoud. Ze deden me begrijpen, op een manier waaraan een boek nooit zou kunnen tippen, hoeveel van wat we nodig denken te hebben niet echt noodzakelijk is. Consumenteneconomieën draaien op het principe dat hoe meer mensen willen hebben, des te beter. Wanneer onze verlangens beginnen af te nemen, wanneer we beginnen te denken dat we genoeg hebben, dan zullen adverteerders ons bombarderen met televisiereclames, reclameborden, verkooptelefoontjes - alles wat ze kunnen doen om ons van gedachte te laten veranderen, en ons te motiveren om weer meer te willen.
Suzuki Roshi placht te zeggen dat er maar één terecht verlangen was, en dat was om spiritueel wakker gemaakt te worden. Wanneer we ons concentreren op het feit dat we op een dag zullen sterven en alles wat we in ons leven gedaan hebben voor ons verloren zal gaan, dan is Suzuki Roshi's houding inderdaad zinnig.
Maar de meesten van ons die geen monniken zijn, leven zo niet. We leven alsof alles waarnaar we streven echt de moeite waard is, al is het niet voor onszelf, dan wel voor onze kinderen, onze gemeenschap, en onze maatschappij. En het is de moeite waard. Al onze inspanningen om te groeien, te ontwikkelen, en bij te dragen zijn de essentie van de menselijke gemeenschap. We maken van tevoren plannen, stellen ons voor dat onze loopbaan voortgang vindt, halen ons de hoogten die we tenslotte hopen te bereiken voor de geest, en kijken uit naar de rustperiode van het pensioen.
Wanneer we als een heilige leven, met weinig verlangens, dan is ambitie geen punt voor ons. Maar als we dat niet doen, dan zouden we op z'n minst eerlijk tegen onszelf moeten zijn over wat onze voornaamste verlangens zijn en waarom we ze hebben. Een van de redenen dat Jasons ambitie hem te veel werd, was dat hij niet echt helder was over wat hij wilde. Wat z'n hart deed zingen was werken met kinderen. Iedereen die hem in de klas bezig zag, kon dat zien, en wanneer hij onkreukbaar eerlijk met zichzelf geweest was, was hij ook in staat geweest dat te zien.

Vanuit een bepaald gezichtspunt had Suzuki Roshi gelijk. Het diepste verlangen dat we allen delen, is wat de boeddhisten 'de grote zaak van leven en dood' noemen. Maar zelfs Suzuki Roshi zou waarschijnlijk toegeven dat dat niet ons enige legitieme verlangen is, alleen maar het diepgaandste. Er zijn veel andere verlangens die niet alleen legitiem zijn, maar ook spiritueel de moeite waard. Het verlangen werk te hebben dat redelijk voldoening geeft, waarin je niet misbruikt of geëxploiteerd wordt, en dat niet ingaat tegen ons gevoel voor ethiek, maakt deel uit van wat boeddhisme bedoelt met 'het juiste levensonderhoud', wat we in meer detail zullen bespreken in hoofdstuk 17. 'Het juiste levensonderhoud' is een belangrijk aspect van het boeddhistische spirituele pad, en het is bij het nastreven van een passend levensonderhoud dat ambitie onze spirituele idealen het beste dient.

Oefenen met ambitie
Hoewel het traditionele boeddhisme geen oefeningen heeft die direct werken met ambitie in je werk, kent het wel oefeningen die er indirect mee te maken hebben. De twee die het meest geschikt lijken voor het onderzoeken van ambitie zijn 'Oprecht voelen' en 'Oprechte inspanning'.
In de oefening 'Oprecht voelen' wordt een eenvoudige vraag gesteld: Hoe voel je je op dit ogenblik? Voel je je goed, slecht, of neutraal? Het gaat hier niet om 'voelen' in de zin van liefde, opwinding, of boosheid, maar om een primitievere kwaliteit van positief of negatief, plezierig of onplezierig. We delen dit vermogen met het hele dierenrijk. Kijk hoe een hond of een kat zich een weg door de dag baant; in elke situatie nemen ze een besluit - ik houd hiervan, ik houd daar niet van.
Het problematische aan ons menselijke wezens is dat we een verbazingwekkend vermogen hebben om onszelf voor de gek te houden over wat ons plezier doet of niet. Wanneer we onszelf vragen: 'Wat voor gevoel heb ik op dit ogenblik over mijn werk? Heb ik echt plezier in dit werk of niet?', dan zouden al onze elkaar tegensprekende gedachten, opinies, en emoties over ons werk ons te binnen kunnen schieten - het is beter dan het vorige werk, het betaalt zo goed, het reizen duurt kort, de mensen zijn aardig - in plaats van ons basisgevoel te onderkennen over het werk zelf, dat, volgens de boeddhistische traditie, neerkomt op een van deze drie antwoorden:

Ik vind het leuk.
Ik vind het niet leuk.
Ik vind geen van tweeën, dat wil zeggen, ik heb een neutraal gevoel.

Dit gevoel van afkeer tegenover aantrekking ligt diep verankerd in onze psyche. Leuk-vinden of niet-leuk-vinden, aangetrokken of afgestoten worden, is fundamenteel voor alle leven. Daarom is het zo belangrijk voor ieder van ons om ons ervan bewust te zijn en ermee verbonden te zijn.
Jason is een voorbeeld van iemand die geen contact had met zijn fundamentele voorkeuren en afkeuren. Zijn hoofd zat zo vol van ideeën over de soort persoon die hij graag zou willen zijn, de auto waarin bij graag zou rijden, en de indruk die hij zou willen maken op de vriendinnen van zijn zuster, dat hij erin slaagde zichzelf ervan te overtuigen dat hij lesgeven niet plezierig vond, terwijl hij er in feite dol op was.
Kijk eens naar het geval van Emily, bij wijze van voorbeeld van het tegendeel. Ze was een schoolhoofd dat geliefd was bij haar collega's, de schoolkinderen en hun ouders. Maar voor haarzelf leverde haar werk hoe langer hoe meer stress en minder voldoening op, zozeer dat ze in therapie ging. Na een paar maanden therapie kwam ze tot het inzicht, dat ondanks het uiterlijke succes de administratie van een school niet echt was wat ze wilde doen. Ze nam ontslag en is nu veel gelukkiger met een zelfstandig cateringbedrijf.
De oefening 'Oprechte inspanning' is niet zo eenvoudig. 'Oprechte inspanning' heeft te maken met motivatie. Terwijl 'Oprecht voelen' naar het 'hoe' vraagt, vraagt 'Oprechte inspanning' naar het 'waarom'. De oefening 'Oprechte inspanning' onderzoekt de vraag: 'Waarom doe ik dit? Wat is mijn doel?' Wanneer we een zeilboot besturen, en alles wat we doen is de boot voor de wind houden zodat hij snel vaart, zonder een helder doel voor ogen te hebben, dan zullen we snel de weg kwijtraken. 'Oprechte inspanning' helpt ons een baken te vinden, waar we onze boot naartoe kunnen sturen.

Terug